| donderdag 30 september 2004, | Stadsgehoorzaal | Breestraat | Leiden |
|
zaterdag 2 oktober 2004, 20.15 |
St.Janskerk | Vrijthof | Maastricht |
| zaterdag 9 oktober 2004, 20.15 | Marekerk | Lange Mare | Leiden |
| zondag 10 oktober 2004, 15:00 | Oud-Katholieke kerk | Bagijnhof | Delft |
Programma:
Muelen
Altijt zoe moet ik trueren (NDL 13)
anoniem*
Ic sach een aerdich vrouken (NDL 22)
Zacheus*
Mijns liefkens bruyn ooghen (NDL 11)
Clemens*
Te schepe waert (NDL 1)
Episcopius
Laet varen (NDL 8)
Clemens
De lustelijcke mey (NDL 24)
Episcopius
Een bier (NDL 10)
PAUZE
Episcopius*
Schoon liefken (NDL 2)
anoniem*
O vermaledijde liefde (NDL 19)
anoniem*
Een aerdich meijsken (NDL 25)
Het
is in 2004 450 jaar geleden dat de Maastrichtse uitgever Jacob Baethen een
verzameling meerstemmige liederen uitgaf onder de naam Niewe Duytsche
Liedekens, door musicologen tegenwoordig het Maastrichts Liedboek
genoemd. ‘Duits’ betekent in
dit verband gewoon ‘Nederduits’, dat wil zeggen ‘Nederlands’. Het gaat
dus om liederen in de Nederlandse taal. Dat was in 1554 een actuele zaak: zoals
in alle tijden zongen Nederlanders ook in de zestiende eeuw niet graag in de
eigen taal. Dat geldt althans voor die Nederlanders die ook andere talen
beheersten, laten we zeggen de gegoede burgerij en de adel. Het Frans
overheerste in de wereldlijke muziek van de elite en ook Nederlandstalige
componisten schreven bij voorkeur op Franse of eventueel Italiaanse teksten. Dit
lokte een reactie uit van Tylman Susato, muziekuitgever te Antwerpen. Susato
riep zijn componerende landgenoten op stukken in hun moedertaal bij hem in te
leveren. Hij wilde ze uitgeven om te bewijzen dat muziek in de Nederlandse taal
even goed kon zijn als in het Frans, Latijn en Italiaans. Susato deed zijn
oproep in het Ierste musyck boexken (1551), waarmee hij meteen het goede
voorbeeld gaf: in dit bundeltje gaf hij vierstemmige zangmuziek uit in de
Nederlandse taal, van diverse componisten. In hetzelfde jaar nog drukte Susato
een Tweeste musyck boexken en hij zou de reeks voortzetten met de
driestemmige Souterliedekens van Clemens non Papa, in vier deeltjes
(1556-1557), en de vierstemmige Souterliedekens van Gerardus Mes,
eveneens in vier deeltjes (1561). Betekent deze indrukwekkende reeks van tien
uitgaven dat Susato’s oproep algemeen aansloeg? Niet per se: geen van de
boekjes werd herdrukt. Susato kan een idealist zijn geweest, of zijn project
tegen beter weten in hebben doorgezet – mogelijk
ook uit sympathie met de protestantse zaak, waarnaar de Souterliedekens
verwijzen. Meer zegt het dat zijn initiatief navolging kreeg buiten Antwerpen:
in 1554 gaf Jacob Baethen in Maastricht een soortgelijk boekje uit en in 1572
Phalesius te Leuven.
De
boekjes van Susato en Phalesius zijn vrij bekend en in moderne edities
beschikbaar. Het Maastrichtse liedboek van Baethen heeft veel minder aandacht
gekregen. Dat is niet verwonderlijk, want de muziek is incompleet. In de
zestiende eeuw werd muziek niet in partituur gedrukt, maar in losse stemboekjes.
Helaas is een van de vijf stemboekjes van het Maastrichts Liedboek in de
loop der eeuwen zoekgeraakt – uitgerekend de sopraanpartij! Toch is Baethens
bundel onze aandacht waard. Het bevat vrijwel uitsluitend nieuwe composities:
van Susato nam hij slechts een enkel stuk over. Daarentegen ontleende Phalesius
voor zijn Duytsch musijck boeck van 1572 maar liefst dertien composities
aan Baethens bundel. Daarmee vormt deze een belangrijke schakel in de opleving
van Nederlandstalige muziek in de zestiende eeuw. Prof. dr. Louis Peter Grijp en
Nico van der Meel hebben in de afgelopen jaren alles op alles gezet om de muziek
te reconstrueren. Allereerst is gezocht naar ontbrekende partijen in andere
liedboeken. Van de overige composities werd de bovenstem gereconstrueerd,
dat wil zeggen: de ontbrekende partij werd weer ingevuld volgens de regels van
het strenge contrapunt waaraan de componisten zich in de Renaissance hielden.
Omdat de ontbrekende stem de bovenstem is, moest er extra veel aandacht
geschonken worden aan de melodievorming, want de sopraan bepaalt nu eenmaal het
aangezicht van de compositie. Sommige stukken gebruiken teksten van populaire
liedjes uit die tijd en bij de reconstructie is dan ook zoveel mogelijk gebruik
gemaakt van het melodisch materiaal van deze liedjes. 450 jaar na de eerste
druk is het Maastrichts Liedboek nu weer compleet toegankelijk.

Wat
is er nu Maastrichts aan het Maastrichts Liedboek, behalve dat het in die
stad is gedrukt en uitgegeven? In elk geval niet de taal. Deze is de
standaard-Nederlandse schrijftaal van de tijd en vertoont weinig regionale
kleuring. Wel toont het titelblad een gezicht op de stad Maastricht, te
herkennen aan het wapenschild met de ster. De bundel bevat ook muziek van enkele
Maastrichtse componisten. De belangrijkste is Ludovicus Episcopius, van wie maar
liefst zeven composities zijn opgenomen. De stukken met vijf, zes en acht
stemmen – waarmee Baethens bundel zich onderscheidt van Susato’s geheel
vierstemmige Ierste musyck boexken – zijn allemaal van Episcopius, die
daarmee een ereplaats in de bundel inneemt. De componist, geboren in Mechelen,
was tientallen jaren kapelmeester aan de Sint Servaas. Een andere componist die
bij het drukken van Baethens bundel in Maastricht verbleef, is Franciscus
Florius, mogelijk een geboren Maastrichtenaar. Van hem is één driestemmig
stukje opgenomen. In het nabijgelegen Luik werkte verder Jean Petit de Latre,
die met twee composities is vertegenwoordigd. Van hem gaf Baethen ook een bundel
Lamentationes uit. Het is opmerkelijk dat een componist uit een
Franstalig gebied Nederlandse teksten op muziek zette. Wel trok De Latre naar
het noorden – naar Amersfoort en Utrecht – maar dat was pas na 1554. Zijn
biografie is echter verre van compleet en mogelijk heeft De Latre al eerder in
een Nederlandstalig gebied gewerkt.
Andere
componisten die Baethen koos, waren meer naar het westen werkzaam: Jacobus
Clemens non Papa in onder meer Brugge, Den Bosch en wellicht Ieper, Jean
Wintelroy in Den Bosch en Servaes van der Muelen in Bergen op Zoom. Alle drie
waren verbonden aan geestelijke instellingen. Van hen is Clemens met vijf
stukken het best vertegenwoordigd. Tot slot zijn er nog enkele componisten van
wie maar heel weinig bekend is: Theo. Evertz, Claudius Salmier, Joan. Zacheus en
Pierken Jordain. De laatste was mogelijk een studiegenoot van Baethen uit
Leuven. Afgezien van Clemens zijn het dus vooral minder bekende componisten van
wie Nederlandstalige composities beschikbaar waren.
Het
repertoire in de liedbundels diende als huismuziek voor de betere standen.
Waarover zongen zij? Baethen koos minder vaak zotte of boertige teksten dan
Susato, maar de teksten die hij koos, mochten er zijn. In het lied Wy comen
hier gheloopen zuipen ‘gildekens’ (drinkebroers, doordraaiers) door tot
ze platzak zijn, om vervolgens uit de kroeg te worden gesmeten. Dan rest hun
slechts het schip van Sinte Reynuut (‘Schoon Op’) te betreden. Een ander
schip, vol vrolijke vrouwtjes, ligt klaar bij de serieuze kerkcomponist Clemens
non Papa in het lied Te schepe waert! Er zijn ook liedjes met een
scabreuze ondertoon, zoals Al hadde wy vijfenveertich bedden van De Latre
en het anonieme Een aerdich meysken, seer jonck van jaren. Via Phalesius’
bundel werd een lied van Episcopius bekend over een student die zijn hoofd niet
bij de boeken kan houden (Ick zou studeren in eenen hoeck) omdat er
teveel lawaai van de markt buiten komt. We horen het luidkeels aanprijzen van
almanakken, rijnwijn, spelden en naalden, mosselen, boontjes en rattekruid.
Tussendoor bieden schoorsteenvegers en hoeren hun diensten aan en horen we een
enkele bedelaar langskomen.
Opvallend
is dat het Maastrichts Liedboek een flink aantal meiliederen bevat. De
meeste van deze meiliederen zijn vrolijk van aard, maar soms – zoals in het
lied Die voghelkens vrolick ruyten – veroorzaakt de confrontatie met de
uitbundige natuur juist diep verdriet bij de ik-figuur. Het is kenmerkend voor
het Maastrichts Liedboek dat zelfs uit een vrolijk onderwerp een droef
lied tevoorschijn kan komen. Anders dan in de bundel van Susato – waarin zotte
liederen over gildekens en willige meiskens de boventoon voeren – is bij
Baethen de meerderheid van de liederen gewijd aan thema’s als de onbeantwoorde
liefde of het gedwongen afscheid. In meerdere liederen wordt het ‘schoon
liefken’ tevergeefs gesmeekt troost te schenken en veroorzaakt het
‘scheyden’ diepe wonden. Deze melancholie komt het muzikale gehalte van de
bundel overigens beslist ten goede.
Toelichting
door prof. dr. Louis Peter Grijp, bewerkt door Nico van der Meel.